COVID-19 en De intelligente lockdown in de ogen van de burgers - deel 2

Opvattingen van burgers over de institutionele prestaties van de lokale en nationale overheid en de lockdown-maatregelen

Dominika Proszowska
Giedo Jansen
Bas Denters, Universiteit Twente

Deze bijdrage is het tweede rapport van de reeks waarin in de eerste weken de impact van de COVID-19 pandemie en de bijbehorende beleidsmaatregelen op de Nederlandse burgers worden onderzocht. In de eerste bijdrage werd er gekeken naar de opvattingen van burgers over hun beleving van de eerste weken van de COVID-19 crisis en over de gevolgen voor hun leven, gezondheid en vertrouwen in informatiebronnen. Deze bijdrage onderzoekt hoe burgers de reactie van de (nationale en lokale) overheid op de pandemie ervaren en of deze opvattingen verschillen tussen burgers van verscheidende sociaaleconomische achtergronden en naar de nabijheid van het virus in hun directe omgeving.

De belangrijkste bevindingen (begin april 2020):

  • Tijdens de eerste weken van de crisis, hadden de Nederlandse burgers een erg positieve kijk op hoe de gezondheidzorg en het RIVM omgingen met de corona crisis. Ook was 80% van de respondenten positief te spreken over de prestaties van de minister-president en de nationale regering. Ter vergelijking werden de lokale overheden en burgermeesters door minder dan 50% van de respondenten positief beoordeeld over hun optreden tijdens de eerste crisisweken;
  • Over het algemeen zijn werklozen en studenten het minst tevreden over hoe verschillende instellingen hebben gepresteerd tijdens de eerste weken van de coronacrisis;
  • Op vier van de vijf aspecten van crisisbeheersing (d.w.z. competenties, het beste voorhebben, effectiviteit en duidelijkheid en transparantie van de beslissingen), scoorde de nationale overheid substantieel hoger dan de lokale overheid. De reactietijd van zowel de nationale en lokale overheid op de virusverspreiding werd echter neutraal beoordeeld (d.w.z. niet positief of negatief);
  • De opvattingen over de reactie van de regering op de verspreiding van COVID-19 varieerden tussen leeftijdsgroepen: jongeren waren in tegenstelling tot andere leeftijdsgroepen eerder ontevreden over de reactietijd van de nationale en lokale overheden tijdens de eerste weken van de coronacrisis;
  • De lockdown-maatregelen ontvingen tijdens de eerste weken na hun implementatie relatief veel steun. Ook heerste er een sterke consensus over de vraag of de maatregelen passend waren. Als maatregelen al werden bekritiseerd, dan vond men ze eerder te soepel dan te streng;
  • De twee lockdown-maatregelen die het vaakste als te soepel werden beoordeeld waren: het beperken van religieuze bijeenkomsten tot 30 deelnemers (verondersteld dat de deelnemers ten allen tijde 1,5 meter afstand van elkaar houden) en het beperken van internationaal verkeer (“Nederland heeft de grenzen gesloten voor mensen van buiten Europa, en raadt iedereen af om naar het buitenland te reizen”);
  • Jongeren waren vaker van mening dat de maatregelen voldoende waren, terwijl ouderen deze vaker te soepel vonden. Studenten vonden de maatregelen over het algemeen iets te streng. Verder waren er weinig verschillen in opvattingen tussen mensen met verschillende posities op de arbeidsmarkt.

Lees het onderzoek (pdf, 0,8 MB)