Tweede tussenrapportage Evaluatiecommissie tijdelijke wet digitale beraadslaging en besluitvorming

prof.dr. Klaartje Peters, Universiteit Maastricht Lokaal en regionaal bestuur
prof. mr. Geerten Boogaard, Universiteit Leiden Decentrale overheden
(Thorbecke-leerstoel)
prof.dr. Bibi van den Berg, Universiteit Leiden Cybersecurity governance
mr. Lianne van Kalken, Erasmus Universiteit Rotterdam Staats- en bestuursrecht

Terug naar fysiek vergaderen is ingewikkeld

In de afgelopen maanden hebben bijna alle gemeenteraden, provinciale staten en algemeen besturen van de waterschappen digitaal vergaderd. Nu de situatie rondom het coronavirus onder controle lijkt te zijn in Nederland, willen de meesten graag weer fysiek gaan
vergaderen.

De evaluatiecommissie, die de Tijdelijke wet digitale beraadslaging en besluitvorming voor gemeenten, provincies en waterschappen van 9 april jl. volgt, ziet dat de issues rondom digitaal vergaderen sinds het verschijnen van de eerste rapportage (van 20 mei jl.) veranderd
zijn.

In de begintijd ging het in veel gemeenten, provincies en waterschappen vooral om de vraag of en wanneer er digitaal moest worden vergaderd, en met welk digitaal vergadersysteem. Inmiddels is sprake van enige gewenning. De vraag is nu vooral hoe de terugkeer naar fysiek
vergaderen moet worden ingericht. Niet iedere volksvertegenwoordiger kan of wil daaraan meedoen, en vergaderzalen zijn vaak niet geschikt voor vergaderen in de anderhalvemetersamenleving. De afgelopen tijd is er daarom een zeer gevarieerde praktijk van vergaderen ontstaan, met allerlei mengvormen van fysiek en digitaal vergaderen. Dat
leidt tot soms moeilijke en ingewikkelde afwegingen om het gelijke speelveld voor alle volksvertegenwoordigers zoveel mogelijk te garanderen.

In deze tweede rapportage wordt uitgebreid verslag gedaan van de ervaringen van de volksvertegenwoordigers met 2 à 3 maanden digitaal vergaderen. Hoewel de reeds bekende nadelen door de volksvertegenwoordigers worden bevestigd (veel vertraging, te weinig
interactie, te weinig emotie, gedoe met de techniek), ziet meer dan de helft van hen digitaal vergaderen in de toekomst als een bruikbaar alternatief of aanvulling op fysiek vergaderen.

Voor wat betreft de effecten van digitaal vergaderen, melden de raadsleden, statenleden en algemeen bestuursleden in grote meerderheid dat zij worden gehinderd in de uitoefening
van hun volksvertegenwoordigende rol. Het zou echter te kort door de bocht zijn om daarvan enkel het digitaal vergaderen de schuld te geven. Het gebrek aan contact met de achterban is niet zozeer een gevolg van de digitale vergadersetting, maar meer van de crisis en de crisismaatregelen in het algemeen. Daarnaast ervaren veel volksvertegenwoordigers beperkingen bij het stellen van kaders en het controleren van het bestuur. In het lokaal bestuur valt op dat raadsleden van oppositiefracties daar veel meer last van zeggen te hebben dan coalitieraadsleden. Deze ervaringen worden geïllustreerd door de wijze waarop veel colleges de volksvertegenwoordigers (niet) hebben betrokken bij de besluitvorming over steunpakketten met budgettaire consequenties. Dat wijst erop dat de uitdagingen voor de lokale democratie tijdens de coronacrisis zeker niet alleen door het digitale vergaderen worden veroorzaakt