Van gezondheidscrisis naar drievoudige noodtoestand

Update Wereldnieuws, 20 juli, week 28-29

René ten Bos stelt in zijn boek De Coronastorm: Hoe een virus ons verstand wegvaagde dat de coronacrisis veel grote vragen en onzekerheden oproept. De voormalig Denker des Vaderlands vraagt zich hardop af of we de coronacrisis moeten zien als een gebeurtenis die al bestaande ontwikkelingen versterkt of als iets dat daadwerkelijk nieuwe ontwikkelingen in gang heeft gezet. Volgens Ten Bos grijpen veel filosofen en denkers de coronacrisis voornamelijk aan als bevestiging van wat zij altijd al beweerden. Dat is duidelijk te zien in de recent gepubliceerde boeken Morgen komt geen dag te laat van de Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev en Pandemie van de Sloveense filosoof Slavoj Žižek. Beiden zijn sterk overtuigd dat de coronacrisis grote gevolgen zal hebben en zien in de crisis een katalysator van al bestaande ontwikkelingen. Waar Krastev tot de pessimisten behoort en in de coronacrisis geen inleiding ziet van een groene, post-kapitalistische wereld, is Žižek optimistischer en stelt – alweer – dat zijn oproep voor herinvoering communisme alleen maar urgenter is geworden. De coronacrisis toont volgens de Sloveen duidelijk aan dat ons economische en politieke systeem aan grote veranderingen toe zijn: er is behoefte aan coördinatie van productie en consumptie, de markten kunnen grote problematiek niet oplossen en overheden moeten ingrijpen. Als de coronacrisis echt iets anders was en compleet nieuwe ontwikkelingen in gang zette, dan was de oproep tot “herinvoering van het communisme” niet logisch geweest. Hoewel Krastev en Žižek het duidelijk niet eens zijn – en de Sloveen de pandemie voornamelijk lijkt aan te grijpen om het communisme de hemel in te prijzen – is het zeer duidelijk dat zij, net als velen met hen, de coronacrisis vooral als katalysator van bestaande ontwikkelingen zien. Het blijft echter de grote vraag wat de blijvende gevolgen van de coronacrisis zijn en of de pandemie de geschiedenis ingaat als een bepalend moment. De Amerikaanse politicologe Sheri Berman toont in haar artikel dat zij daar niet volledig overtuigt van is, zoals Krastev, Žižek en bijvoorbeeld Henry Kissinger en Yuval Noah Harari dat wel zijn. Het is evident dat de crisis een aantal ontwikkelingen ofwel in gang heeft gezet of heeft versterkt, maar om een “turning point in history” te zijn moet het crisismoment ook aangegrepen en benut worden door invloedrijke krachten en revolutionairen.

Wat wél met zekerheid te zeggen is, is dat de coronacrisis zich niet alleen als een gezondheidscrisis manifesteert. Het is onmiskenbaar ook een maatschappelijke en sociaal-economische crisis is. Het algemene idee in de literatuur is dat de coronacrisis weldegelijk begon als een gezondheidscrisis, maar mettertijd grote maatschappelijke en sociaal-economische problematiek teweegbrengt en bestaande scheidslijnen versterkt. De focus in de literatuur ligt dan ook veelal op thema’s als de economie, ongelijkheid en de effecten van de crisis op de maatschappij en samenleving. Zo ook in het artikel van de beroemde journalist Martin Wolf in Financial Times. De coronacrisis trof de wereld op een moment waar grote onzekerheden bestonden en die werden groter en zichtbaarder. In zijn artikel benadrukt Wolf het belang van een stabiele middenklasse voor het voortbestaan van de democratie; zonder bloeiende middenklasse riskeren staten te vervallen in een plutocratie, demagogie of tirannie. De Britse journalist maakt zich dan ook hard voor “burgerschap” als de centrale notie waar de politiek, maatschappij en economie in het post-Corona-tijdperk om moet draaien. Voor de staat is het welzijn van alle burgers de primaire zorg. Matthew Goodwin, hoogleraar aan de University of Kent, maakt de vergelijking tussen de coronacrisis en de Kredietcrisis, waarvan ook niemand had kunnen bedenken dat die zou leiden tot waar we nu staan: ‘It’s only by looking back now, over a decade later, that we can see how the crisis cleared the way for the rise of anti-establishment populism, the fragmentation of Europe’s party systems and much higher rates of political volatility’. De Britse politicoloog stelt dat men goed in de gaten moet houden wat de effecten zijn op voornamelijk lagere sociaal-economische groepen in de maatschappij. Als overheden hier niet goed mee omgaan, brengt de coronacrisis mogelijk veel ongewenste ontwikkelingen teweeg. André Knottnerus, voormalig voorzitter van de WRR, roept dan ook op tot een lange-termijn-strategie waarbij de aanpak zich richt op de gezondheid én de economie én de samenleving. Door de grote economische crisis die voortkomt uit de pandemie, dreigt grote werkloosheid, dalende belastinginkomsten, stijgende rente en een enorme druk op overheidsbegrotingen. Bovendien kunnen sociale-zekerheidsnetwerken en cruciale publieke voorzieningen als gezondheidszorg en onderwijs in de problemen komen. De voortgaande stagnatie van de samenleving en de economie zou volgens Knottnerus zelfs meer schade kunnen aanrichten aan de volksgezondheid dan het virus zelf. De Britse econoom Edward Cartwright beargumenteert zelfs dat armoede, ongelijkheid en slechte voorzieningen veelal de oorzaak zijn nieuwe besmettingsgolven. Cartwright focust zich in zijn artikel op de recente uitbraak en daaropvolgende lokale lockdown in de Britse stad Leicester. Hij stelt dat het niet gek is dat juist in deze plaats een nieuwe uitbraak voorviel. Volgens de Brit komt dit, net zoals bij de recente lokale uitbraken in Duitsland en Singapore, door armoede en slechte lokale omstandigheden. De arme bevolking moet de deur uit om brood op de plank te krijgen, werkt vaak op plaatsen waar social distancing niet mogelijk is en woont vaak in dichtbevolkte wijken. Een lokale lockdown is volgens Cartwright dan ook niet de oplossing – deze kan juist een neerwaartse spiraal veroorzaken doordat het de economie verder schaadt en de negatieve factoren versterkt. Cartwright ziet overheidssteun en financiële hulp als noodzakelijkheid. De coronacrisis veroorzaakt of versterkt dus sociaal-economische en maatschappelijke problematiek, maar deze problematiek vergroot op haar beurt de gezondheidscrisis.

Een ander thema dat afgelopen weken naar de voorgrond terugkeert is de relatie tussen de wetgevende en uitvoerende macht. In de acute fase van de coronacrisis observeerden velen dat parlementen door de crisismaatregelen aan de zijlijn belandden en voornamelijk regeringen en wetenschappers de belangrijke beslissingen namen. De Zwitserse politicoloog “Claude Longchamp”: pleitte in april 2020 al voor een “terugkeer van de volksvertegenwoordiging” en stelde dat parlementen hun positie terug moesten pakken. Maar, politisering van de coronacrisis werd lange tijd gezien als zonde. Waarom zouden we het moeten hebben over de rol van het parlement ten tijde van een gezondheidscrisis waarbij het moet gaan over tijdige en effectieve oplossingen? Dit gaat echter voorbij aan de beginselen van een representatieve democratie. Ook toonden regeringen niet overal “tijdig” en “effectief” te handelen, werd “expertise” zomaar voor waarheid aangenomen en blijkt crisiswetgeving vaak geen deugdelijke wetgeving. Enkele maanden na de oproep van Longchamp, staaft het door Elena Griglio verrichtte onderzoek de eerdere observaties ten aanzien van de rol van parlementen. Griglio concludeert dat de uitvoerende macht een overheersende rol in de wetgeving op zich heeft genomen gedurende de crisismaanden en dat parlementen in toenemende mate werden gemarginaliseerd. Parlementair toezicht op de uitvoerende macht werd onder de crisisomstandigheden een strategische functie voor de democratische legitimiteit van beleidsvorming: ‘the domain of oversight tools and procedures is the one most compatible with the organisational and procedural challenges in parliament posed by the health requirements’. Uit de analyse van de Italiaanse politicologe blijkt dat Europese parlementen, ondanks onderlinge verschillen, een ‘realistische en stapsgewijze aanpak’ volgden om de continuïteit van het toezicht op de uitvoerende macht te waarborgen. Hierbij werd prioriteit gegeven aan toezichtmechanismes die zowel strategisch als uitvoerbaar waren. Ook is het volgens Griglio zeer waarschijnlijk dat parlementen de coronacrisis aangrijpen om het parlementair toezicht verder te versterken.